logo

De Albula- en Berninalijn van de Rhätische Bahn zijn sinds 7 juli 2008 opgenomen in de UNESCO-werelderfgoedlijst

er zijn nog twee andere spoorlijnen opgenomen in de UNESCO lijst klik hier

 

naar foto's  naar de foto's

De Rhätische Bahn (Graubunden- Zwitserland) heeft bij de UNESCO een dossier ingediend om opgenomen te worden in de lijst van "werelderfgoed".

In het Duits spreekt men van "Weterbe, uitspreken als welt-erbe.

Het gaat vooral om de Albula- en de Berninastecke tussen Tusis en Tirano. Deze verbinding is een uitstekend voorbeeld van de ontsluiting van het hooggebergte en ze behoort tot de spectaculairste smalspoorbaan van de wereld.

Zowel de spoorweg zelf als het omliggende landschap zijn in het dossier opgenomen.

Het dossier werd op 4 september 2006 aan het Bundesamt für Kultur overhandigd en op 21 december 2006 werd het dossier door de Unesco een eerste keer onderzocht. Het definitieve dossier werd op 21 januari 2007 aan de Unesco overgemaakt.

Het dossier wordt nu door de Unesco-experten onderzocht en het eindverslag word in juli 2008 kenbaar gemaakt.

De Rhätische Banh is de ruggengraat van het cultuurlandschap Albula/Bernina.
De voornaamste delen zijn de Albulabaan en de Berninabaan.

De Albulabahn werd in 1903 voltooid. De talrijke viaducten en (keer)tunnels spreken tot de verbeelding, gezien het tijdstip waarin ze gebouwd werden (in die tijd was er nog geen GPS en lasermeting).

De Albulabaan is een meesterwerk van topografie en de meeste kunstwerken op de Albulabaan zijn spectaculair.


Tussen Tusis en Filisur gelden als voornaamste bouwwerken: het vermaarde Solisviaduct en het wereldberoemde Landwasserviaduct, dat het Landswasserdal overbrugt.

Het spoor verdwijnt na het Landwasserviaduct in een loodrechte rotswand. Dit is dan ook de meest gefotografeerde brug van de Rhätische Bahn.

foto
foto Tussen Filisur en Preda is de afstand in vogelvlucht 12 km en het hoogteverschil 708m. Om dit hoogteverschil te kunnen overbruggen werd de spoorlijn verlengd tot 21 km.

Tussen Filisur en Bergün werd één keertunnel van 698m gebouwd. Verder ook nog zes tunnels en een brug.

In het enge Albuladal moest tussen Bergün en Preda een hoogteverschil van 400m overwonnen worden, de afstand in vogelvlucht is slechts 6 km. Hiervoor werd de spoorlijn tussen Bergün en Preda met keertunnels/viaducten verlengd tot 12 km. De maximale stijging is 3,5% en de kleinste boogstraal 120m.

Er zijn op dit lijngedeelte drie keertunnels, één Galerij en vier viaducten over de Albula.

Voorbij Preda volgt de Albulatunnel met zijn lengte van 5865m en was lange tijd de langste tunnel van de RhB. De tunnel werd gebouwd tussen 1989 en 1903. Er werd van beide kanten geboord en de doorstoot was op 29 mei 1902 met nauwelijks 5 cm verschil!

Voor de tractie op de Albulalijn worden locomotieven Ge 4/4 van drie reeksen gebruikt. Het maximaal aantal rijtuigen is 12 (mis vooraan een Ge 4/4 III of twee Ge 4/4 II). Er zijn enkele automatische kruisingsstations en in het drukke seizoen wordt de capaciteitsgrens van de lijn bereikt. Benevens reizigersverkeer (elk uur een trein in beide richtingen) is er nog druk goederenverkeer.

foto

foto

De Berninabahn, voltooid in 1910, tussen Sankt Moritz en Tirano gold als voorbeeld voor vele bergspoorwegen. Wereldwijd is ze enig in haar soort, het is de hoogst gelegen Alpenspoorweg in Europa en een van de steilste adhesiespoorwegen in de wereld (tot 7%).

De spoorlijn loopt boven op de Beninapass langsheen enkele drieduizenders (Piz Palü 3901, Piz Bernina 4049 Piz Morteratsch 3751, Diavoleza 2903) en gletsjers (de Cambrena, da Palü en de Mortreratsch als bekendste).

De spoorlijn wordt het ganse jaar uitgebaat, zij het in de winterperiode met de inzet van zwaar materieel en veel personeel voor het sneeuwvrij houden van het spoor.

Vanaf Pontresina gaat het reeds stijl omhoog en nabij de Morteratschletsjer vindt men de vermaarde Montobellocurve. De spoorlijn maakt vanaf Bernina Lagalp een wijde bocht, het spoor werd in 1934 verplaatst om lawinenvrij te zijn. Er zijn ook enkele lawinegalerijen om het continue winterbedrijf mogelijk te maken.

Het hoogste punt ligt op 2253m langs het Lago Bianco (dit meer voedt de elektriciteitscentrale van Busio die instaat voor de energievoorziening van de Berninabahn).

Vanaf Alp Grüm (2091m) gaat het steil bergafwaarts naar Cavaglia (1692m) en Poschiavo (1014m). Deze afdaling is spectaculair, met stijgingen van 7% en bochten (in bepaalde tunnels) van 50m straal.

Voorbij Poschiavo loopt het spoor langs het Lago di Poschiavo om in Brusio een laatste keer spectaculair af te dalen over het keerviaduct (boogstraal 50m) van Brusio naar het op 429m gelegen Italiaanse Tirano.

Voor de tractie gebruikt men motorwagens ABe 4/4 en de maximale samenstelling is 2 ABE en 7 rijtuigen.

foto
     

Om deze kandidatuur wat luister bij te zetten zijn een locomotief en een motorwagen versierd.
De Ge 4/4 III 650 die vroeger getooid was als "die kleine rote" kreeg een nieuw kleedje. De motorwagen ABe 4/4 II 51 rijdt als enige in de reeks rond met een sierkleedje.

foto foto
meer foto's hier

meer info bij de Rhätische Bahn www.rhb.ch en op www.rhb-unesco.ch voor het volledige dossier in meerdere talen.